zondag 27 september 2015

VI.


Romantische orde. Hoe ‘verstandiger’ we worden, des te sterker het verlangen naar het ervaren van eenheid.


Wat is er op tegen om zich als een ‘denkend ik’ tegenover de eigen omstandigheden en ook tegenover de eigen ervaring op te kunnen stellen? Is dat niet wat een zekere mate van vrijheid mogelijk maakt? – vrijheid opgevat als mogelijkheidszin: het vermogen om afstand te nemen van wat is, en om zo ruimte te maken voor wat kan of voor wat wenselijk is.

Waar zouden we zijn zonder ons vermogen tot abstractie, d.w.z. het zich denkend losmaken van het concrete? Waar zouden we zijn zonder ons vermogen tot het concipiëren van ideeën en waarden, waardoor we de verleiding kunnen weerstaan om mee te gaan in de draaikolk van emoties? Waar zouden we zijn zonder ons vermogen om ons te ontwerpen naar de toekomst toe? Waar zouden we zijn zonder ons voorstellingsvermogen, waardoor we in staat zijn tot verbeelding en creativiteit?
Wat is er mis met deze menselijke mogelijkheid om zich tegenover de eigen omstandigheden en ook de eigen ervaring op te kunnen stellen? – behalve wanneer we vergeten ook in het ogenblik te leven, uiteraard. Is menszijn niet juist beide?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten