maandag 28 september 2015

X.


Er is veel dat bestaat zonder dat het fysiek aanwijsbaar is of uitgebreidheid heeft. Harry Potter bestaat, als romanfiguur. Sinterklaas bestaat, in de verbeelding van kinderen, evenals spoken. Monsters bestaan, als droombeeld. Ook engelen bestaan, wanneer je erin gelooft. Alles waarover we spreken bestaat. De vraag is: binnen welke orde? Binnen welk domein is het werkelijk?

IX.


De idee ‘ontspreekt’ het menselijk vermogen om te denken in termen van kenmerken (die onvermijdelijk algemeen van aard zijn en die elk gegeven overstijgen en tot iets bijzonders maken). Zij fungeren als criteria in het beoordelen van alledaagse ‘dingen’ (inclusief mensen), gebeurtenissen en situaties. Het meer of minder voldoen aan deze criteria impliceert de mogelijkheid van een ideaal: een ‘ding’ etc dat optimaal voldoet. Ideeën blijven evenwel een zaak van taal en denken. Nergens bestaat de idee, behalve in het denken. En alle ideeën worden gekend in een woord, waarzonder zij niet gedacht kunnen worden.


De godsidee is een dynamisch begrip: bepaald oneindig, zonder vaste betekenis, open-ended.



VIII.


God, als naam, een vocatief: het bestaan wanneer we het vieren.


Het bestaan vieren is een vorm van genieten: een genieten van wat ik aantref, in het bewustzijn van de idee van alles, wat dan ook, en dat in volmaaktheid. (Iets vieren gebeurt in het bewustzijn van een idee, en is anders niet mogelijk.)


Gods lof zingen betekent: het bestaan vieren. En ook: vieren te bestaan, als mens. Door het bestaan te vieren, vieren we indirect ons vermogen – al onze vermogens tegelijk – om alles te ervaren en te denken wat we zelf niet zijn, in ik-vergetelheid, en ervan te genieten.

VII.


‘Ongelovige’ is een onzinnige term, wanneer ‘geloof’ niet wordt genomen naar zijn moderne invulling, in contrast met (wetenschappelijk) ‘weten’, maar wanneer wordt teruggegaan naar het Griekse woord waarvan het is afgeleid, ‘pistis’, dat ook met ‘vertrouwen’ wordt vertaald. Niemand kan zonder vertrouwen. Niet-geloven duidt op een gebrek, en is zeker geen ideaal. De vraag is eerder: (op) wie of wat vertrouw je?

zondag 27 september 2015

VI.


Romantische orde. Hoe ‘verstandiger’ we worden, des te sterker het verlangen naar het ervaren van eenheid.


Wat is er op tegen om zich als een ‘denkend ik’ tegenover de eigen omstandigheden en ook tegenover de eigen ervaring op te kunnen stellen? Is dat niet wat een zekere mate van vrijheid mogelijk maakt? – vrijheid opgevat als mogelijkheidszin: het vermogen om afstand te nemen van wat is, en om zo ruimte te maken voor wat kan of voor wat wenselijk is.

Waar zouden we zijn zonder ons vermogen tot abstractie, d.w.z. het zich denkend losmaken van het concrete? Waar zouden we zijn zonder ons vermogen tot het concipiëren van ideeën en waarden, waardoor we de verleiding kunnen weerstaan om mee te gaan in de draaikolk van emoties? Waar zouden we zijn zonder ons vermogen om ons te ontwerpen naar de toekomst toe? Waar zouden we zijn zonder ons voorstellingsvermogen, waardoor we in staat zijn tot verbeelding en creativiteit?
Wat is er mis met deze menselijke mogelijkheid om zich tegenover de eigen omstandigheden en ook de eigen ervaring op te kunnen stellen? – behalve wanneer we vergeten ook in het ogenblik te leven, uiteraard. Is menszijn niet juist beide?

maandag 21 september 2015

V.


Bestaat God? God bestaat zoals de Wereld bestaat: niet. Er bestaat geen organisch, harmonieus geheel. Er is geen Al dat teleologisch samenhangt.


God bestaat als idee van het al. En wat bestaat al niet?


De wereld bestaat niet, en we noemen haar God.


De godsidee existeert in de mystieke ervaring.


Alles wat men ooit onder God en het goddelijke heeft bestaan, is dat ook: in de beleving van de betreffende personen.


God is een meer-, ja oneindig sporige realiteit.


God is alles wat was, wat is en wat zou kunnen zijn, en er is niets dat op deze wijze kan bestaan.


God ontsnapt aan elk Groot Verhaal: hij is het grote 'niet iets'.


Er van uitgaande dat alles bestaat dat voor ons realiteit heeft, is God als ultieme grootheid alles wat realiteit heeft. En aangezien die allesomvattende grootheid in principe oneindig is, in potentialiteit, ook wat betreft domeinen en dimensies, en tegelijk incommensurabel, bestaat God ook niet, behalve als idee.


God trekt het zelf leeg van een teveel aan Ik.


zaterdag 19 september 2015

IV.



Verandering en chaos aankunnen, ja ermee spelen, vanuit 'iets' dat geen chaos is.


De ziel is niet iets.


Emancipatiebewegingen bestrijden ongelijkheid en andere structurele belemmeringen; zij vergroten onze ‘negatieve’ vrijheid. Niet onbelangrijk, maar daarmee gebeurt nog niets wat het leven echt de moeite waard maakt. Zoals authenticiteit en liefdevolle vriendelijkheid. Het werkelijk positieve lijkt niet aan cultureel-maatschappelijke ontwikkeling onderhevig, noch is het resultaat van emancipatie.


Enige mogelijkheid om de ziel te laten baden in het oneindige: radicale eerlijkheid, passie zonder effectbejag, leven zonder concessies of compromissen.


Er is geen noodzaak tot identificatie met een zaak (en dus ook niet tot ergernis of haat), wanneer ik verblijf in de ultieme godsidee.


De godsidee helpt om het zelf van een teveel aan Ik te bevrijden. De ultieme trekt het zelf leeg van een teveel aan Ik.


God ontledigt de ziel: zij is niet iets, zoals hij dat evenmin is.


woensdag 16 september 2015

III.


Soms ben ik jaloers op mensen die geen enkele extra gedachte hebben bij dramatisch of ellendig wereldnieuws dan ‘wat erg’, en vervolgens doorgaan met hun dagelijks leven alsof er niets aan de hand is. Het lukt me niet om het daarbij te laten, helaas. Maar wat dan? En maakt het verschil om je er wel druk over te maken?


Crisis: welke waarden willen we hooghouden?


Vanwaar de angst voor het vluchtelingenprobleem? Is de Europese beschaving te zwak om een crisis als deze aan te kunnen?


De belangrijkste bedreiging voor democratische politiek is ressentiment: het veralgemeende gevoel onrecht te worden aangedaan, waarbij meestal één bepaalde groep als schuldige wordt aangewezen, tezamen met handlangers. Het is een sentiment met een democratische dimensie: het gevoel slachtoffer te zijn van ongelijke behandeling speelt een cruciale rol, evenals de onmacht om er iets tegen te kunnen doen (terwijl een democratie dat wel belooft: gelijke behandeling en dat ‘er iets aan gedaan wordt’). Als gevaar heeft het ook een signaalfunctie voor de politieke gezondheid van een samenleving.
Ressentiment, als een combinatie van wrok en miskenning, werkt als een gif. Een gif dat zich sluipend verspreidt. Het is niet (meer) voor rede vatbaar wanneer het diep invreet in het gemoed. Ressentiment introduceert haat en andere vormen van agressie als omgangsvorm jegens tegenstanders, die niet langer als andersdenkenden worden getolereerd (cruciaal voor een democratie), maar worden weggezet als vijanden. Dit wordt met name riskant wanneer het medestanders krijgt en collectieve vormen aanneemt. Politieke partijen die daar geen oog voor hebben en louter gaan voor de rationaliteit van argumenten graven hun eigen graf, en erger nog, dat van de politieke cultuur die zij verdedigen.
Aan weldenkende politici om er rekening mee te houden, willen we in de land blijven wonen met een min of meer gezond politiek klimaat. Frustratiemanagement zou agendapunt moeten zijn, minstens in de afwegingen.


Subjectiviteit. Wanneer je een geregelde/ordelijke samenleving wilt, en ‘wij’ willen dat kennelijk, dan zal ‘men’ moeten zorgen dat burgers zich geregeld/ordelijk gaan gedragen (wat ze kennelijk uit zichzelf niet geacht worden te doen, - of wel?), als subjecten van een orde met een welbepaalde normaliteit. En wat als wij die eis loslaten? Wat voor samenleving krijgen we dan? (Pure anarchie? Maar waarom eigenlijk?) Of minstens de vraag: wat voor normaliteiten zijn allemaal mogelijk, anders dan die welke onze orde normeert?
En wat als levensbeschouwingen (inclusief religies) nu eens een subjectiveringsfunctie hebben?!