vrijdag 16 oktober 2015

XIV.


Er valt goed te leven met de gedachte dat mensen een natuurlijke neiging hebben tot geloof in een god, of daar zelfs een aanleg voor hebben (zoals sommige wetenschappers menen te kunnen aantonen). Het geloof in een god staat nl aan de horizon van de menselijke denktaligheid, oftewel rede. Niet alleen kunnen we ons méér voorstellen dan wat onze zintuigen ons op elk gegeven moment te bieden hebben (verbeelding); ook zijn we in staat om van alles te denken, inclusief de ideale gestalte ervan, - in feite is elk begrip er één. Elk begrip veronderstelt een idee, en de onbepaaldheid, oneindigheid en transcendentie die eigen zijn aan elke idee (de driehoek staat voor alle driehoeken en voor geen in het bijzonder), - tot en met de idee van alle ideeën en haar oneindigheid. God is hetgeen gloort aan de grenzen van wat wij nog kunnen denken, als de ultieme idee.

Iets vergelijkbaars geldt voor het geloof in een hiernamaals: wat de ziel ook moge zijn, we kunnen ons voorstellen dat zij oneindig is en dat zij het heden transcendeert; dat is nl wat we als levend, menselijk wezen elke dag reeds doen: onszelf projecteren in een toekomst, die nog nergens bestaat, behalve in onze geest. Het is niet moeilijk om deze mogelijkheid om te zetten in een realiteit, ook al is het slechts in onze verbeelding of als wens.

Gelet op het vermogen om ons méér te verbeelden dan wij op elk moment zintuiglijk waarnemen en om ideeën te denken die elk ding in het bijzonder transcenderen, is het evenmin vreemd dat wij geest en lichaam opvatten als onderscheiden. Een voor de hand liggende stap verder is om dit onderscheid in een scheiding om te zetten, ook al is dit niet meer dan een denkbeweging.

In alledrie de gevallen voltrekt ontisering de switch naar een andere ontologie: een denkmogelijkheid wordt tot een eigenstandig zijnde gereïficeerd, en wordt aldus tot een realiteit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten